Ante Scriptum: Hoe meer ik leer over wetenschap, hoe meer ik overtuigd ben van menselijke connecties die we (nog) niet kunnen verklaren.

Vroeger was ik een Italiaans jongetje. Het moet ergens in de jaren 50 zijn geweest. We woonden in een middelgroot dorp, op het platteland. Ik had misschien wel oudere broers of zussen, maar ze waren sowieso het huis al uit. Aan hen heb ik geen herinneringen. Mijn ouders waren al ruim boven de 40. Nakomertje of niet, ik was sowieso niet de jongste; na mij kwam nog een dochtertje. Na een week was ik echter weer enig kind in huis.

Mijn vader werkte heel veel, maar als hij thuis was, sloeg hij me. Niet consequent, wel regelmatig. Dat was geen uitzondering in ons dorp, het hoorde bij de opvoeding. Mijn moeder was huisvrouw, zoals de meesten in die tijd. In mijn gedachten is ze een voorovergebogen schim.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit naar school ging. Zelf ben ik dan ook niet ouder geworden dan 6. Mijn exacte doodsoorzaak kan ik niet zeggen, wellicht een of andere ziekte.

Desondanks denk ik steeds met een positief nostalgisch gevoel terug aan mijn vorig leven. Wanneer ik een Italiaanse film kijk die zich afspeelt buiten de grote steden, overvalt me telkens weer een comfortabele warmte en een extreem vrijheidsgevoel. De herkenningsgraad met Italiaanse zes-jarigen zoals gepresenteerd in La vita รจ bella, Nuovo cinema paradiso of Ladri di biciclette is zoveel groter dan met enig welk ander personage in eender welk boek of welke film.