Ik stop met peddelen en knip mijn koplamp uit. Ik lig op een reusachtig meer, omgeven door honderden bomen, donkere vlekken tegen een zwarte achtergrond. In de wijde omtrek brandt geen enkel licht. De wereld slaapt. Er is niemand. Er is geen maan. Boven mij is een zwart tapijt met kleine, maar felle lichtpuntjes. Onder mij een zwart tapijt zonder lichtpuntjes.

Het meer weerspiegelt het niets aan de hemel. Ik leun achterover en de sterrenhemel valt over me. Het water is niet langer onder me. Ik ben het meer dat de hemel weerspiegelt. Ik ben het sterrentapijt dat waakt over het meer. Ik waak over mijn weerspiegeling.